Jong, mantelzorger én scholier: Alexander en Ramon in gesprek

Alexander (39 jaar) is geen jonge mantelzorger meer, maar wel geweest. Hij weet als geen ander waar je tegen aan kunt lopen als je ‘opgroeit met zorg’. In zijn geval ging het om een vader met een chronische progressieve ziekte en daarbij ook een moeder waar hij zorgen om had. Hij gaat in gesprek met Ramon (14 jaar) die thuis te maken heeft met een oudere broer die PDD-NOS en ADD heeft. Ze praten vooral over de zorg thuis in combinatie met school. Voor Alexander was zijn middelbare schooltijd namelijk een heftige periode. Hij vraagt zich af hoe Ramon dat beleeft.

Alexander trapt af:
Ik ben heel benieuwd Ramon, hoe het anno 2019 is om als jonge mantelzorger op te groeien. En dan vooral in relatie tot school, omdat je daar nu eenmaal de meeste tijd doorbrengt als jongere. Hoe gaat het op school en hoe gaat jouw school om met jonge mantelzorgers?

Ramon: Nou ik haal wel goede cijfers op school, dus het gaat eigenlijk wel goed. Maar dat geldt vast niet voor alle jonge mantelzorgers. Leerkrachten denken misschien dat je slechte cijfers haalt omdat je gewoon niet goed oplet en niet je huiswerk maakt. En dat is niet altijd de reden. Het kan ook zijn dat je door de thuissituatie niet goed presteert.

Alexander: Wat zou de school moeten doen volgens jou?

Ramon: Ik vind het belangrijk dat de school aandacht heeft voor jonge mantelzorgers. Door dingen die er thuis gebeuren kan ik me soms niet goed concentreren op school. Dan ben je met je gedachten niet bij de les en krijg je dus niet alles mee. Of je hebt slecht geslapen of door wat er thuis aan de hand is je huiswerk niet kunnen maken. Leraren zouden bij het zien van slechte cijfers zich af moeten vragen of er bij de leerling thuis iets aan de hand is. En dan niet vragen ‘Ben jij jonge mantelzorger’?, dat werkt niet, want dat weet je zelf vaak niet. Beter is het om te vragen ‘Zorg je thuis voor iemand?’
Mij heeft dat overigens nooit iemand gevraagd. Maar ik haal dan ook geen slechte cijfers.

Alexander: Bij mij heeft het veel impact gehad op mijn schooltijd. Dat kwam misschien ook omdat ik van het één op het andere moment mantelzorger werd, terwijl jij opgroeide met je broer en niet anders weet. Toen ik een jaar of 16 was, tijdens de overgang van 4 naar 5 vwo, kreeg mijn vader de diagnose ‘Parkinson’. Mijn vader was mijn grote voorbeeld, goeie baan, mooie auto, altijd keurig in het pak. Ineens was dat voorbij, mijn wereld stond op zijn kop. Pa kon steeds minder en uiteindelijk bijna niets meer. Daarbij vond mijn moeder het ook lastig om hiermee om te gaan. Als oudste kind in het gezin, mijn zusje was toen 9, kreeg ik een grote verantwoordelijkheid op mijn schouders. Door de spanningen hierdoor en weinig slapen ging het op school ook niet meer. Gevolg was dat mijn cijfers kelderden en dat ik uiteindelijk 5 vwo moest overdoen. 

Ramon: Welke hulp had jij toen van je school gewild?

Alexander: Terugkijkend had ik meer begeleiding willen hebben. Ik werd zwaar belast thuis,  was een binnenvetter en veranderde in een stil persoon. Mijn mentor wist er wel van en onze huisarts vanzelfsprekend ook, maar niemand had het er over. Ik werd wel verwezen naar de vertrouwenspersoon van school maar dat was een tennismaatje van me en ook nog eens een bekende van mijn ouders. Daar ging ik echt niet over de problemen thuis vertellen.

Ramon: Dat snap ik, want het voelt bijna als verraad als je over thuis praat, want je ouders kunnen er ook niets aan doen. En je wilt niet dat je ouders het nog moeilijker krijgen. Ik praat ook niet over mijn problemen met mijn ouders, want daar worden zij weer verdrietig van en dat wil ik niet. Op de basisschool werd er ook nooit over gepraat, maar dat komt ook vast omdat ik daar ook al goed presteerde en dan denken ze dat er niets aan de hand is.

Alexander: Mijn mentor heeft het destijds wel verteld aan de leraren op school, maar die hebben hier nooit met mij over gesproken en ook nooit naar gevraagd. Alleen goede vrienden kenden de situatie bij mij thuis, maar we hadden het daar niet over, als puber is dat niet ‘stoer’!

Ramon: Ook bij mij weten alleen goede vrienden het, verder niemand. Ook niet dat ik nu ambassadeur ben voor jonge mantelzorgers. Mijn broer vindt dat eigenlijk niet fijn, maar mij helpt het omdat ik er zo over kan praten. En we praten niet zozeer over mijn broer maar vooral over mij en wat het opgroeien in een zorgsituatie voor mij betekent.

Alexander: Toen ik een stuk ouder was en inmiddels op de universiteit zat werd ook mijn moeder ziek. Pas toen ben ik zelf hulp gaan zoeken bij een psycholoog, alleen kwam ik er niet uit. Het was beter geweest wanneer ik al veel eerder met iemand had kunnen praten over mijn situatie. Ik weet nu dat het goed is om daar over te praten, hoe eerder hoe beter! Destijds voelde ik me aan mijn lot overgelaten. Ik pleit voor een ketenaanpak. Een huisarts, of specialist, kent toch het gezin van degene die ziek wordt of een beperking heeft. Die moet zorgen dat de mantelzorger gezien wordt. En ook de leerkrachten op school hebben daar een taak in: wanneer ze signalen opmerken kunnen ze de zorgcoördinator van school inschakelen of de mentor inlichten. Dat geldt ook voor mensen binnen verenigingen, ook daar moeten jonge mantelzorgers gezien worden. In die keten kunnen ze samenwerken met Wmo-medewerkers, psychologen en natuurlijk VIT; de mantelzorgconsulent kan de regiefunctie vervullen.

Ramon: Waarom vraagt de mentor bij een kennismakingsgesprek niet naar de situatie bij iemand thuis? En misschien kun je ook via een formulier vragen stellen over thuis, want niet iedereen vindt het makkelijk om hierover te praten. Als iemand daarover iets opschrijft weet je dat tenminste als mentor en kun je ook eens vragen hoe het thuis gaat. Mijn mentor heeft alle leerkrachten ingelicht over mijn thuissituatie, maar vervolgens hebben mijn leerkrachten nooit ergens rekening mee gehouden..

Alexander: Je zou zo’n gesprek ook vaker moeten hebben, want een zorgsituatie kan zomaar ontstaan. Je moet de jonge mantelzorger er niet tussen door laten glippen. Vooral preventief er zijn, als leerkracht, huisarts of mentor. Hiermee voorkom je dat er op latere leeftijd problemen ontstaan. Je kunt als mentor jonge mantelzorgers wijzen op de hulp die er bestaat en zorgen dat er gesprekken komen, bijvoorbeeld met VIT of met een psycholoog wanneer dat nodig is. Ook moet je het makkelijk maken voor jongeren om zelf aan de bel te trekken. Bij een vertrouwenspersoon binnenlopen doe je niet snel, dat hebben anderen in de gaten. Maar een 06-nummer dat je kunt appen is heel laagdrempelig!

Tijdens het interview blijkt dat de ervaringen van Alexander en Ramon ten aanzien van hun schooltijd niet zoveel verschillen. Beiden vragen ze om een actievere rol van mentoren en leerkrachten. Ook benadrukken zij dat het heel laagdrempelig moet zijn om hulp te vragen. “Het is niet stoer en je wilt ook loyaal zijn aan je ouders”, zeggen beiden. Maar, geven ze ook aan: “Praten helpt wel en daarom moet er iemand het gesprek aangaan, of je doorverwijzen naar iemand om mee te praten!”